Het pand - bouwkundige structuur
Het museumgebouw is één van de twee oudste gebouwen van Gennep en dateert uit de late middeleeuwen, een tijd waarin Holland door hongersnoden werd geteisterd. Oorspronkelijk fungeerde het gebouw als pakhuis. De hoogte van de verdiepingen, de extra zware moerbalken en de dikke muren duiden daarop. Bij de renovatie van 1980 werden aanwijzingen gevonden voor grote poortdeuren in de achtergevel. In de voorgevel is naast de opgaande trap naar de voordeur nog een kelderingang te zien die eens werd afgesloten door een deur. Door de ophogingen van de Niersstraat in de laatste eeuwen, is deze ingang nu voorzien van een kelderluik.
Het museumpand is een prachtig voorbeeld van laatgotische bouwstijl, die zich ontwikkelde aan het einde van de gotische periode in de 15e en 16e eeuw. Deze verfijnde en gedetailleerde variant van de gotiek combineert elementen van eerdere gotische bouwstijlen met nieuwe invloeden en lokale tradities. De laat-gotiek komt vooral tot uiting in civiele en stedelijke gebouwen, zoals stadhuizen, gildehuizen, kerken en particuliere woningen.
Kenmerken van de laatgotische bouwstijl
Kenmerkend aan deze stijl zijn enkele specifieke architectonische elementen die in ons museumgebouw herkenbaar zijn:
Hoge trapgevel
Eén van de meest opvallende kenmerken van de laatgotische architectuur is de trapgevel. Deze gevel, die in een reeks van opklimmende trappen eindigt in een punt, werd veelvuldig toegepast in stedelijke omgevingen. Trapgevels geven gebouwen een statig en monumentaal uiterlijk en konden bovendien rijkelijk versierd zijn met pinakels (toelopende, slanke, torenvormige spitsen), nissen en fijnzinnig beeldhouwwerk.
Steil dak
Laatgotische gebouwen hebben vaak steile en hoge daken, wat niet alleen een dramatisch effect heeft op de skyline van een stad, maar ook praktisch is in regenrijke gebieden, omdat het regenwater snel kan afvoeren. Deze daken waren meestal bedekt met leisteen of – in ons geval – met dakpannen en hadden soms decoratieve elementen zoals dakkapellen of ornamenten op de nok. Let ook eens op de zaagtandfries onder de dakgoot.
Voorgevel met korfboognissen
De voorgevel van laatgotische gebouwen kon gedetailleerd zijn met korfboognissen. Een korfboog is een type boog die minder spits is dan een gotische boog en meer afgerond, maar niet zo rond als een romaanse boog. Ook de korfboog kan uitgevoerd worden met een sluitsteen en eventueel twee aanzetstenen (niet zichtbaar bij het Petershuis). Het voordeel van een korfboog is dat de boog vanaf de aanzet snel de hoogte in gaat en pas daarna afvlakt, zodat er over bijna de hele breedte een goed bruikbare hoogte ontstaat. Deze bogen werden vaak gebruikt voor deuren, ramen en nissen en gaven het gebouw een sierlijke en verfijnde uitstraling. De korfboog is kenmerkend voor de overgang tussen de gotische en de renaissance architectuur.
Bouwkundige structuur binnen
Binnen in het Petershuis zijn de moer- en kinderbalken een opmerkelijk kenmerk van de bouwstructuur. Deze balklaag bestaat uit samengestelde houten balken die samen de dragende constructie van de vloer vormen. De moerbalk, ook wel moerbint genoemd, is een zware balk die van muur tot muur loopt en de kinderbalken of kinderbinten draagt. Deze kleinere balken liggen haaks op de moerbalk. Samen vormen de moer- en kinderbalken de basis waarop de vloerdelen rusten. Soms kan er onder de moerbalk nog een onderslagbalk zijn aangebracht voor extra ondersteuning. Moer- en kinderbalken zijn soms in monumentale panden aan te treffen en kunnen gemaakt zijn van eiken-, dennen- of grenenhout. Deze constructie benadrukt het vakmanschap en het bouwkundige inzicht van de ambachtslieden uit de tijd waarin het Petershuis werd gebouwd.
Gewelvenkelder
In 2021 is de gewelvenkelder bouwkundig aangepakt. Jarenlang was er een vochtprobleem, waartegen aanvankelijk geen kruid gewassen leek te zijn. Totdat het museum door de installatie van een ingenieus beluchtingssysteem dit binnendringen van water permanent heeft weten te voorkomen. Deze oplossing leidde helaas ook tot het afbladderen van het schilder- en stucwerk in de kelder. Daarom werden deze in 2021 ook volledig vernieuwd. De kelder herbergt nu onze keramiek collectie.
Cultureel erfgoed
Het Petershuis is niet alleen een belangrijk cultureel erfgoed in Gennep, maar ook een representatief voorbeeld van hoe de laatgotische stijl zich in Nederland heeft gemanifesteerd in stedelijke gebouwen. Het combineert functionele en esthetische elementen die typerend zijn voor deze stijlperiode, waardoor het een waardevol object is voor de studie van de laatgotische architectuur in de regio.
Het gebouw was van oorsprong een pakhuis waarbij de begane grond diende voor opslag van graan en de bovenverdieping werd gebruikt voor bewoning. Dit blijkt o.a. de gevonden sporen van een grote dubbele poort in de achtermuur; de zware moerbalken, de deur in de voorgevel naar de kelder en de schoorsteenschouwen op de bovenverdiepingen.
De bewoners
De oudste sporen van bewoning dateren uit de 16e eeuw. Volgens een bewonerslijst werd het pand in 1562 bewoond door Jan van Wanroy. Het pand wordt vermoedelijk, zoals 95 procent van de bebouwing binnen de stadsmuren, door de stadsbrand van 16 april 1597 beschadigd. Na de brand wordt het gebouw herbouwd/hersteld en weer als pakhuis in gebruik genomen. In 1625 is het een patriciërshuis waarin naast ruimte voor opslag ook plek voor schout en schepenen is gemaakt.
Rond 1750 wordt het pand bewoond door burgemeester Felderhoff. Madame Felderhoff woont er met twee dienstboden en twee huisknechten. In 1834 is het huis eigendom van de uit Kleef afkomstige klerk, rijksontvanger, schoolmeester en koster Frederik Th. Wardenberg. Hij is getrouwd met de Gennepse smidsdochter Johanna van Wylick. Een van hun vijf ongehuwde dochters aanvaardt het woonhuis 1868 en blijft er met twee van haar zussen wonen. Wanneer de laatste van de drie zussen in 1915 overlijdt, koopt de weduwe van Genneps burgemeester Th. H. Peters het pand. Na haar dood in 1930 verkrijgt de oudste van haar drie zonen het huis uit de nalatenschap. Deze zoon, Prof. Dr. Joh. Th. Peters, trekt zich na een drukke kliniekpraktijk in Nederland en Amerika de laatste paar jaren van zijn leven terug in het Zwitserse Pregasona, waar hij in 1964 overlijdt. Hij blijkt dan het huis bij testament geschonken te hebben aan de Gennepse gemeenschap middels een op te richten Professor Johan Peters Stichting.
Na het overlijden van Professor Johan Peters duurt het nog enige jaren voordat de Stichting daadwerkelijk aan de slag kan gaan met haar verworven gebouw. De stichting renoveerde het pand door o.a. de installatie van een lift. In 1983 werd het pand in gebruik genomen als ‘Streekmuseum Gennep’.
Door de jaren heen is het museum uitgebreid en geprofessionaliseerd. Het stichtingsbestuur met diverse werkgroepen en vrijwilligers zorgen nu voor de permanente cultuur-historische tentoonstelling en de acht tot tien wisseltentoonstellingen per jaar. Na de realisatie van een permanente expositie in het jaar 2000 heeft de stichting zijn schenker geëerd met de nieuwe naam: Museum Het Petershuis Gennep. In de volksmond “het Petershuis” genoemd. In 2013 en 2023 werd een grotere herinrichting doorgevoerd om het museum klaar te maken voor de toekomst.






